“We worden echt serieus genomen als indicatieteam!”

“We worden echt serieus genomen als indicatieteam!”

Leandra Beeloo is projectleider van de indicatieteams van de Pilot Domeinoverstijgend Indiceren. Een jaar geleden zijn er twee teams opgetuigd: één in de regio Noord-Holland & Flevoland en één in de regio Holland-Rijnland. Leandra stuurt beide teams aan. Wat zijn de eerste veelbelovende opbrengsten? En welke verbeterslag kunnen we gedurende de resterende looptijd maken?

De casuïstiek in het kort

Tot nu toe heeft het indicatieteam van Holland-Rijnland 10 casussen ontvangen en regio Noord-Holland & Flevoland 27. De meeste casussen komen binnen via zorgprofessionals, maar het komt ook voor dat ouders de casus aandragen. Dit gebeurt dan meestal omdat de ouders vastgelopen zijn. Kinderen met een palliatieve diagnose hebben namelijk vaak indicaties uit meerder wetten nodig, zoals de Zorgverzekeringswet, Jeugdwet, Wet langdurige zorg (Wlz), of Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Als het niet lukt om alle indicatiestellers met elkaar af te stemmen, dan schakelen we de escalatieroute in: “Samen met Bianca den Outer van jb Lorenz kijken we dan waar het op spaak loopt en wat de mogelijkheden zijn. We proberen daar ook leerpunten uit te halen die helpend kunnen zijn voor andere casussen.”

Signaalcasus

Sommige casussen worden anoniem ingebracht. In dat geval gaat het meer om een signaalfunctie: “Om een voorbeeld te geven, bij een van de casussen kwam aan het licht dat binnen een bepaalde gemeente binnen de Jeugdwet een inkomenstoets werd gedaan. Als het duidelijk was dat de ouders recht hadden op hulp voor het kind, dan werd er eerst gekeken of ze financieel in staat waren om het zelf te bekostigen. Dat is heel gek. Uiteindelijk werd ook duidelijk dat dit niet rechtsgeldig is. Dan koppelen wij dat terug aan diegene die zo’n signaalcasus heeft binnengebracht, zodat dit rechtgezet kan worden.”

Veelbelovende samenwerkingen

Op het gebied van samenwerken zijn er al waardevolle stappen gemaakt: “Waar ik heel blij mee ben is dat het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) nu standaard aangehaakt is bij de overleggen van de indicatieteams. Dit is vooral belangrijk om het afwegingskader voor de Wlz vanuit het CIZ duidelijk te hebben. Ook hebben we nu contactpersonen binnen de meest voorkomende zorgverzekeraars in de regio’s. Dat is heel fijn, want daar kunnen we echt mee schakelen. Soms denk ik wel dat het beter zou zijn als de zorgverzekeraar ook bij ons aan tafel in het indicatieteam zit. Hetzelfde geldt voor de zorgkantoren. Die zouden in sommige gevallen ook in het indicatieteam moeten zitten. Dat is misschien nog een stap waar we naar moeten kijken, of we dat toch voor elkaar moeten gaan krijgen.”

De kracht van een multidisciplinair team

Ook binnen de indicatieteams is een goede samenwerking van cruciaal belang: “Een van de dingen die we tot nu toe hebben bereikt is dat we heel goed inzichtelijk hebben gekregen waar het spaak loopt. Je ziet ook dat er steeds vaker gezamenlijk opgetrokken wordt door de verschillende disciplines. We worden echt serieus genomen als indicatieteam. Ook complexe zorgvragen komen er makkelijker doorheen, omdat er door een multidisciplinair team naar gekeken wordt. Bij zorgvragen waar we niet precies van weten waar ze thuishoren, is het makkelijk om onderling compromissen te sluiten met elkaar.”

Afwegingskaders

Binnen één jaar tijd is de kennis van de indicatieteams al enorm gegroeid, merkt Leandra op: “Het is mij nu duidelijk dat binnen de verschillende wetgevingen men niet goed van elkaar weet wat de afwegingskaders zijn. De leden van de indicatieteams weten dit ondertussen wel, omdat ze er zo intensief bij betrokken zijn. Zij hebben nu een heel duidelijk beeld over wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn binnen de verschillende wetgevingen. We trekken er ook met z’n allen op uit om anderen hierover te informeren en te trainen. Zo hebben wij bijvoorbeeld samen met ClientondersteuningPlus alle jeugdteams in de regio Leiden kunnen trainen binnen de verschillende wetgevingen en de kaders waarbinnen hulp wordt afgegeven. Dit stond eigenlijk niet op de planning. Heel naïef dacht ik dat iedereen wel wist wat de afwegingskaders zijn. Maar dat bleek niet zo te zijn.”

“Laten we er nou op z’n minst voor zorgen dat de indicaties gelijklopen”

Het besef dat men niet van elkaar weet wat de afwegingskaders zijn, was niet het enige leermoment voor Leandra: “Gaandeweg ben ik er ook achter gekomen dat het lang niet altijd zo is dat degene die de indicatie maakt, ook het daadwerkelijke besluit neemt. Als er bijvoorbeeld binnen de zorgverzekeringswet een indicatie wordt opgesteld door een kinderverpleegkundige voor een persoonsgebonden budget (PGB), dan kan de zorgverzekeraar daar nog van afwijken. Het gebeurt wel eens dat een zorgverzekeraar besluit om de indicatie niet voor een jaar af te geven, maar voor een halfjaar. Dat is dan alleen al het geval binnen één wetgeving. Maar onze doelgroep heeft vaak met verschillende wetgevingen tegelijkertijd te maken. Onze wens: laten we er nou op z’n minst voor zorgen dat de indicaties binnen de verschillende wetten gelijklopen aan elkaar. Dat lukt nu in de praktijk gewoon vaak niet.”

De pilot in coronatijden

Ook de coronapandemie is van invloed geweest op de indicatiestellingen. Binnen de zorgverzekeringswet gaven de zorgverzekeraars aan dat er ook digitaal indicaties gesteld mochten worden, op voorwaarde dat er later ook weer op huisbezoek werd gegaan, vertelt Leandra: “Tijdens een huisbezoek kun je echt zien wat de zorgvraag van het gezin is en welke hulpbehoefte daaruit voortkomt. Door de digitale indicaties, die korter hebben gelopen, zijn ouders eigenlijk alleen maar bezig om van indicatie naar indicatie te gaan. Dat is lastig.”

Verbeterslag tijdsverloop

Gezinnen zijn blij als hun casus bij de pilot binnenkomt, omdat er gelijk met een heel team naar gekeken wordt en ze niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. Maar dan zijn we er nog niet: “Ik vind wel dat we nog een verbeterslag te maken hebben. Nu zit er soms nog veel tijd tussen het moment van de aanvraag en het moment dat de indicatie helemaal rond is. We moeten goed met elkaar bespreken wat we van ouders mogen vragen. Ook moeten we het tijdsverloop van het komen tot een indicatie goed kunnen beargumenteren. Dat is een belangrijk aandachtspunt voor het tweede jaar van de pilot.”

Eén integraal budget? We komen er uiteindelijk wel.

Leandra is van mening dat we ons moeten beseffen dat de huidige manier van werken onhoudbaar is voor de doelgroep: “Het is belachelijk dat er voor een kind dat begeleiding nodig heeft op school, bijvoorbeeld omdat het kan stikken, er een andere indicatie nodig is voor het taxivervoer naar school, dan voor de begeleiding tijdens de taxirit en vervolgens ook weer voor de begeleiding op school zelf. Waar we uiteindelijk naartoe willen is dat er een experimentele maatregel van bestuur gaat komen voor onze doelgroep en dat we één integraal budget gaan krijgen voor palliatieve kinderen. Het zou veel efficiënter en sneller zijn als je met één budget mag gaan werken. Dan ben je af van al die afwegingskaders en wetten”, zegt Leandra.

Leandra is positief gestemd over het domeinoverstijgend indiceren: “Het indicatieteam is soms al maanden bezig met deze indicaties, laat staan dat de ouders dit zelf doen. Maar zolang je met mensen werkt die willen dat dit verbetert, die accepteren dat dit een lange adem nodig heeft, die weten dat er heel veel belangen bij betrokken zijn, dan heb ik er vertrouwen in dat we er uiteindelijk gaan komen. Maar het is geen toverstokje dat je even heen en weer zwaait.”